Member details
 Show in normal design
 
Toch leuk MSN. Daar lees je nog eens wat in mensen hun naam. Verwensingen, merkwaardige teksten. Teksten die ik niet begrijp, maar dat komt omdat ik het Hongaars niet machtig ben en mijn Hongaarse neefje wel. Turks kom ik nu ook sinds kort tegen. Ik staar dan naar die teksten en probeer iets te herkenen. Ik doe dat als bezigheids therapie op momenten dat ik geen leven heb. Zo zou mijn dochter het tenminste noemen.


Maar nu zag ik weer een nieuwe tekst die mijn fantasie liet gaan. Veni, vidi, vici, kouseband!!! Ik kwam, ik zag, ik overwon, kouseband??? Hmm, zou het gevaarlijke uit zichzelf wurgende kouseband betreffen? Ik beeld mij nu een heftig gevecht in met deze lange groente, waar hij gelijk Hercules en de slang, mee aan het worstelen is. Of had hij honger en heeft met gevaar voor eigen leven een bosje kouseband veroverd? Misschien was er nog maar één bosje over in de hele winkel en moest hij het hebben. Met omtrekkende bewegingen naderde hij het schap. De vijand had het eenzame bosje ook zien liggen. Vanuit zijn ooghoeken zag hij dat de vijand het bosje in de gaten had gekregen. Hij moest actie ondernemen. Met gevaar voor eigen leven trok hij een sprintje en griste de kouseband weg vlak voor een paraplu ongenadig hard neer kwam waar een seconde ervoor zijn hand was. Het zweet liep hem inmiddels over het hoofd. Nu nog ongeschonden de winkel verlaten. Zigzaggend rende hij door de verlaten winkelpaden. Ieder moment kon hij verwachten neergesabeld te worden door de vasthoudende hand die de paraplu hanteerde. Een ongeïnteresseerde stem vertelde dat men nog één hele minuut had om de kassa te bereiken daarna zouden de hekken automatisch sluiten. Nog één afslag bij de melk en hij zou de kassa zien schemeren. Een paraplu kwam hard in aanraking met zijn maag, de kouseband vloog door de lucht en lag tussen de volle melk. Onzacht belande hij tussen de suiker. “Zoete melk” was alles wat hij nog kon denken. De nu paraplu loze hand naderde het bosje kouseband. Gelijk Julius Caesar kon hij zich de overwinning niet laten ontnemen. Hij nam een duik naar een pak karnemelk en gooide die naar de hand. Terwijl de hand zich realiseerde dat er voor haar geen zoete overwinning zou zijn griste hij de kouseband tussen de volle melk vandaan. Snel pakte hij nog een pak mee. Je kon maar nooit weten. “U heeft nog vijftien seconde voor de hekken sluiten” dreunde de ongeïnteresseerde stem weer.


Hij haalde gierend adem terwijl hij zijn kostbaarheden op de band gooide. Om de hoek van het schap zag hij de punt van een paraplu tevoorschijn komen. Bleke handen trokken zijn kostbaarheden over een geheimzinnig oog en vertelde hem dat hij overwonnen had. Een harde sirene verkondigde dat de laatste vijftien seconden voorbij waren en de hekken sloten zich langzaam maar resoluut. Terwijl hij langzaam de winkel uit liep hoorde hij getik, het leek net de punt van een paraplu tegen een hek. Een hand kromde zich om het hek en een magere vinger stak waarschuwend omhoog.


Buiten gekomen opende hij het pak volle melk, de suiker van de pakken die kapot waren gegaan bij zijn val, viel van zijn kleding in de melk. Zijn overwinning smaakte zoet. Hij bond de punten van de kouseband bij elkaar en kroonde zich caesar. Nu nog gedroogde garnalen dacht hij. De ogen van de draak op de etalage ruit keken hem doordringend aan……………..



© Vera Simon
Bijna vier jaar geleden stapte je mijn huis binnen. Je had gehoord dat je er wel goed kon chillen. Eerst hield je jezelf een beetje op de achtergrond. Bescheiden en rustig. Heel anders dan de verhalen die ik van je gehoord had, waar je naderhand smakelijk om gelachen hebt. Helemaal stuk ging je om het gevaarlijke messentrekker verhaal. O, je was niet direct een lieverdje maar zo stak je zeker niet in elkaar. Binnen een paar weken was je los, kind aan huis en je snelle geest dwong me om dieper na te denken dan ik in jaren gedaan had. Een geest als kwikzilver afgewisseld met je scherpe humor. Niet iedereen wist het te waarderen. Te wijs voor je leeftijd door wat je meegemaakt had.


Onze gesprekken vergeet ik niet zo snel. Vooral God en de dood hielden je bezig. De vragen die je had over het leven. De stellingen die je me aan leverden en waar ik mijn hoofd over brak. Ontevreden soms met de antwoorden die ik gaf. “Sorry dat ik het zeg”zei je, “maar hier heb ik geen bal aan” en je was weer offline. Die keer dat je boos op me was en je me antwoorden in gifgroene lettertjes. Zoiets kon alleen jij verzinnen. Alleen op dat moment kon ik er niet echt om lachen. Je was me ook heel dankbaar voor het dagje uit in dat grote Duitse pretpark. Bij elke wildwaterbaan bedankte je me heel erg hartelijk voor het natte pak.


Als vriend was je er voor ons hoe jong je ook was. Ik zie je nog sjouwen op de dag van mijn verhuizing. Meningsverschillen hadden we vooral op het culinaire vlak. Fruit hoorde niet in warm eten. Kip met appel hoe kon ik het verzinnen. Voor het eerst liet je wat staan. Dit kreeg je echt niet door geslikt. Je danste op jouw manier door het leven, al was het niet zonder zorgen, want als…….. De angst die altijd op de achtergrond aanwezig was. De opluchting als je weer hoorde dat alles nog steeds goed was.


Tot verleden jaar je noodlot je weer inhaalde. Moeilijk lopend kwam ik je tegen, maar je hield vol dat het goed ging. Als ik je sprak dan ging het zo goed als het kon gaan. “Ups and downs”noemde je het. Een aantal maanden geleden was je nog hier. Of je genoten hebt van Emmy haar kookkunst weet ik niet, al vind ik rode kool met gebakken krieltjes niet echt een combinatie. Je beweerde dat het lekker was. In ieder geval beter dan Kip met appel. Je zou snel weer langs komen zei je. Helaas zal dat nu nooit meer gebeuren. Nooit meer zal ik je “o, ja joh”horen op iets wat ik vertelde en wat je voor kennisgeving aannam. Vanmiddag, op deze mooie zesde augustus dag kreeg ik het bericht dat je deze wereld in alle rust verlaten hebt. Negentien jaar heeft deze wereld van je mogen genieten, van je creativiteit en je raps. Van je gulle lach en je wat bijtende humor. Je was geen lieverdje en geen engeltje, maar een helder stralend licht dat nu voorgoed gedoofd is. Al wat blijft is de herinnering.

Moreno 21-12-1988 - 06-08-2008


©Vera Simon
De scootmobiel en rollator wegpiraat, ze zijn in opkomst. Tegenwoordig kom je ze dagelijks tegen en ze zijn over het algemeen herkenbaar aan hun leeftijd. Ze zijn onbeschoft, sjagerijnig en denken dat de wereld van hun is. De scootmobiel wegpiraat scheurt met een rotvaart over de stoep en rijd je bijna omver. Stapvoets rijden hebben ze nog nooit van gehoord. Ik verwacht ook over een paar jaar de eerste gepimpte scootmobielen. Misschien een leuk programma voor RTL4 of zo. In de supermarkt kijk ik tegenwoordig angstvallig om de hoek van het schap of er niet eentje aan komt scheuren. Zo’n ding schijnt een turbo stand te hebben. Regelmatig zie ik een fragiel mensje gewikkeld in een plaid de meest rare capriolen maken. Ze nemen nog net niet de paaltjes in de straat mee met hun rijgedrag. Op de markt hoor je hinderlijk getoeter achter je want ze willen er door. Soms rijden ze je gewoon voor de schenen en zeggen dan schijnheilig “o, pardon hoor”. Misschien krijgen we over een paar jaar wel de scootmobiel hangouderen. Die op pleintjes en in parken opvoersetjes voor hun scootmobieltje instaleren. Je weet maar nooit. De eerste dronken rijders zijn ook al aangehouden. Eerlijk gezegd vind ik het maar vreemd dat er allerlei regeltjes en reglementen zijn voor fietsers, snorfietsers enz., maar dat een scootmobieler lekker over de stoep mag scheuren zonder dat er wat van gezegd wordt. Ook leuk is de scootmobieler die een winkel in wil waar hij of zij niet in kan en het dan heel vreemd vind dat ze daarna niet meer welkom zijn. Dat er niets meer op zijn plek stond in de zaak scheen de goede man niet vreemd te vinden.


Nu de rollator wegpiraat. Ze komen versneld aanhollen, net of hun rollator geen rem heeft. Met uitgestrekte armen hollen ze achter hun rollator aan in plaats van dat ding bij zich te houden en rustig te wandelen. In de supermarkt duwen ze het ding in je knieholte om je er op te attenderen dat ze er zijn. Met andere woorden “ik ben oud, ik heb een rollator, kan je me niet voor laten gaan”. Op de markt laten ze je over het klere ding struikelen of staan op één geklit bij elkaar zodat er niemand meer door kan. Ook heel hinderlijk is het dat ze lekker op het fietspad gaan lopen en boos kijken als je er langs wilt. Horen deze mensen niet op de stoep? De actie die mij het meest verbaasde was van de dame die op een druk kruispunt schuifelend door het rode licht begon te lopen en verwachte dat alle auto’s bleven staan. Ze liep ook nog eens over het fietsers gedeelte.


Even voor alle duidelijkheid, ik heb geen hekel aan oudere mensen en de hulpmiddelen hebben ze nodig. Maar het zou wel lekker zijn dat de scootmobielers stapvoets reden op de stoep en de rollator duwers niet meer op het fietspad rondspoken en niet denken dat ze overal maar door kunnen douwen omdat ze zo’n ding bezitten. Ik hoor heel vaak de zin “die jeugd van tegenwoordig”. Maar eerlijk gezegd de oudjes van tegenwoordig kunnen er ook wat van. Ik hou van oudere mensen en werk ook voor ze. Maar een rollator is een hulpmiddel bij het lopen geen attribuut dat je automatisch voorrang verleend en waar je mee moet rennen. Een scootmobiel is bedoelt om minder afhankelijk te zijn en zelf nog naar buiten te kunnen. De stoep is niet het circuit van Zandvoort waar je harder dan een fietser rond kan scheuren. Waarom dit blogje? Vandaag kwam ik weer in aanraking met een potentiële coureur. Die met hoge snelheid sla lom reed bij de bloemenwinkel en vuil kijkend met een rotvaart mij bijna omver reed. Ook de nodige dames die met rollator boodschappen aan het doen waren kwam ik tegen ze reden over je tenen, lieten hun rollator midden in het pad staan en gingen er zelf vandoor om in een ander pad wat te pakken. “Waarom heb je zo’n ding dan?” vraag ik mij dan af. Of wordt dit gedrag alleen in Schiedam vertoont?



© Vera Simon
11 Jul, 23:15
Ik heb slippers. Ooit waren het hele mooie, bordeaux rood met een diep oud roze. Elegant en bedoelt om mee voort te schrijden in plaats van te lopen. Het zijn, dat begrijpen jullie nu wel, niet zomaar slippers geweest. Maar na een jaartje of wat er op rond lopen zijn ze gedegradeerd tot zomerpantoffels. De eens zo mooie geplisseerde stof laat los en rafelt, de kleur ziet er niet meer uit, maar ze lopen nog heerlijk. In huis dan. Ik heb ook voeten. Wat natuurlijk erg handig is als je slippers aan wilt doen ook al zijn ze oud en versleten. Gisteren zat ik dan ook zoals zo vaak met mijn voeten gekruist op mijn gemakje achter de pc. Comfortabele stoel, drankje binnen handbereik en interessant leesvoer op hyves. Maar in één houding blijven zitten gaat op den duur vervelen. Dus nu maar even die voetjes anders gaan zetten. Alleen……………dat ging niet en het voelde ook pijnlijk aan. “Wat nu weer” dacht ik en probeerde mijn hoofd onder de tafel te wringen. Stoel wegschuiven bleek onmogelijk met je voeten vastgeklonken aan elkaar. Helemaal dat als je de voeten bewoog het wel erg pijnlijk werd.


Bij nader onderzoek in het halfdonker bleken mijn geliefde slippers lusjes ontwikkeld te hebben. Ragfijne lusjes natuurlijk ze blijven toch élégance behouden. Zo’n leuk ragfijn lusje had zich verleidelijk genesteld om een ingescheurde teennagel. Ik zat vastgehaakt. Breken wilde de elegante lus niet en een schaar was ook niet binnen handbereik. Dan maar een loshaak actie bedacht ik slim. Op dat moment vond ik mijzelf nog slim. Ik knikte om mijn idee kracht bij te zetten. Ik wrong mijzelf weer onder de tafel en probeerde mijn teen te ontlussen. Het resultaat was een nog zeerdere teen en een lus die zich verkneukelde in de omhelzing van mijn nagel. Inmiddels had ik een kleur waar een tomaat jaloers op geworden zou zijn. Toen kwam het idee van dan trek ik mijn ene slipper uit, schuif weg onder de tafel en ontlus mij. De man van de hypotheker hoorde ik al keihard “Dream on” roepen. Mijn slipper wilde mijn voet niet verlaten. Misschien had mijn moeder me Assepoester moeten noemen.


Mijn gevangenschap op de stoel voor de pc duurde nu al een kleine vijftien minuten. Op Google waren ook geen handige tips te vinden ter ontlussing en ik begon mijn situatie somber in te zien. Alleen thuis en vastgelust op je stoel. Ik zag me al zitten op mijn stoel tot mijn dochter thuis kwam van de bioscoop. Ze had nog een late voorstelling ook. Ondertussen liet ik mijn voeten maar met elkaar vrijen en bedacht een aantal scenario’s om bij een schaar te komen. De hoe kom ik in de keuken bij de la scenario viel al snel af vanwege de afstand en de hoek waar in ik mijn stoel moest laten omvallen. De hoe kom ik in de slaapkamer bij mijn commode viel ook af om dat ik net niet bij de deurklink kon vanaf mijn zitplaats en door een deur heen vallen leek me ook geen optie. De tijd tikte verder en ik kon nu dertig minuten aftellen.


“En nu”ging er door mij heen. “Ik moet plassen” was mijn tweede gedachte. Waarom moet een mens altijd naar de wc als het niet uitkomt? Het zal wel één van die levensvragen zijn die nooit opgelost gaan worden. “Grof geweld” kon ik na vijfenveertig minuten alleen nog maar denken met een blaas die op knappen stond. Weer wrong ik mij onder de tafel, waar onwelkom bezoek een staart in mijn neus duwde. “Sodeflikker ff lekker op” zei mijn o, zo kalme ik. Kat, keek me hierop besodemietert aan. Installeerde zich buiten handbereik en bekeek Mrs. Bean (zo als ik mijzelf inmiddels gedoopt had) haar verrichtingen met grote ogen en een schuine kop. Op een bepaald moment in het gevecht wat ik in het donker onder de tafel aan het voeren was schoot mijn slipper eindelijk uit. Mijn teen voelde aan alsof hij een amputatie ondergaan had. Na de wc stop heb ik mijn slippers even onderhanden genomen en alle lussen gekortwiekt.


Vandaag namen mijn slippers wraak voor deze vernederende actie. Mijn linker slipper liet mijn verwoeste nagel afbreken en gelijk kreeg ik ook een bloedneus. Het verband hier tussen heb ik nog niet gevonden, maar op dit moment bekijk ik mijn slippers argwanend. Misschien zijn ze wel oververmoeid en willen met pensioen. Je kunt nooit weten…………..




© Vera Simon
Ik stond in het buurtsupertje bij de kassa te wachten toen een enthousiaste nieuwslezeres verkondigde dat alle meisjes vanaf 12 jaar volgend jaar ingeënt kunnen worden tegen baarmoederhalskanker. Goeie zaak , zou je denken als niets vermoedende burger. Die blind vaart op de overheid, maar overheid hoe zit het met die meisjes die inmiddels al overleden zijn door dit vaccin of met de meisjes die er behoorlijk ziek van zijn geworden?


Wat denkt u van dit stukje?


DL Rover, medisch research journalist :
In alle emotionele blackmail die op de Nederlandse moeders wordt losgelaten hun dochters te laten vaccineren met het HPV-vaccin, heb ik wat rationele kanttekeningen.

De beschikbare feiten laten zien dat over de hele wereld duizenden meisjes na een Gardasil injectie dezelfde symptomen ontwikkelen: syncope, anafylaxie, pijn, vermoeidheid, toevallen, opstijgende verlammingen, en dood door hartfalen en bloedproppen.

Waar zijn de rapportages van deze verschijnselen vóór vaccinatie?

Wanneer de vaccintoevoeging polysorbaat 80 onvruchtbaarheid kan veroorzaken in ratten en muizen, gebeurt dit ook bij de mens. Hetzelfde geldt voor het in het vaccin aanwezige kakkerlakkengif, natriumboraat. Van geen van beide stoffen kon een RIVM-microbioloog mij de zin uitleggen. De vooraanstaande vaccinonderzoeker Diane Harper geeft toe dat baarmoederhalskanker een mogelijk Gardasil gevolg is. [i]



Heeft u hier ook een antwoord op? Persoonlijk zou ik mijn kind nooit aan dit risico bloot stellen. Het is natuurlijk wel een ideaal middel tegen overbevolking. Al dacht ik dat meneer Rouvoet graag meer kindertjes geboren zag worden in plaats van minder.


Voor nog meer informatie kun je hier kijken http://www.beschermjedochter.nu/ . Aan alle moeders met dochters wens ik wijsheid toe in hun beslissing wel of niet te vaccineren. Gij zijd nu in ieder geval gewaarschuwd.


http://www.degezondepatient.nl/k/189/news/view/2659/761/Maagdenprik-nee-Eikels-wassen-ja.html

© Vera Simon
5 Jul, 00:35
Mijn druk op de bel wordt begroet door een doordringend geblaf. Het buzzertje bij de deur laat me weten dat ik naar binnen kan. In het trappenhuis word ik vrolijk begroet door Baby. “Gaat ze pakken dan” klinkt er vrolijk van boven. Baby kronkelt zich in een paar onmogelijke bochten en oefent de hink-stap-sprong. Zoiets van, ik wil je zo graag een poot geven en ook nog springen, maar ik wil ook wel met je meelopen sprong. Daar gaat ze mee door tot ik haar een paar kattenbrokken van Esa gegeven heb. Als ik de huiskamer in loop staat er een niet te missen konijnenkooi op het dressoir. Over de kooi ligt een handdoek dus wat er in zit valt niet direct te ontdekken. Op mijn gepraat richting keuken, waar een zeer gewenste kop met thee gemaakt wordt, komen er zeer vreemde geluiden uit de kooi. “Wat heb je daar nou?” vraag ik enigszins verbaasd. “Een jonge kauw” klinkt er vanuit de keuken. “Hoe kom je daar nu weer aan” en ik licht de handdoek een tipje op. Gelijk word ik begroet door een opengesperde bek en een hoop ge ka, ka, ka. Kauwtje probeert ook gelijk de sterkte van de plastic deksel. “Ach, hij heeft honger” zegt Monika. Verontwaardigd zegt ze “kinderen hebben met hem rond gesjouwd en nu wil zijn moeder hem niet meer verzorgen. Hij zat helemaal uitgeput op de grond, dus heb ik hem meegenomen”. Intussen heeft ze de jonge kauw uit zijn hok genomen en begint hem te voeren. Met veel kabaal laat hij weten dat hij nog veel meer wil. Als we een tweede bak thee nemen zakken we af naar de tuin en laten “Ut Jong” zoals hij gedoopt is, lekker rondscharrelen. Meneer duif van twee bomen verderop komt eens even kijken wat voor vertoning er gaande is. “Ut Jong” scharrelt achter hem aan en pikt waar hij gepikt heeft.


Een paar dagen later na een nog enthousiastere begroeting van Baby, het is croissantjes dag, kan ik de groei van “Ut Jong” bewonderen. Inmiddels heeft hij het gezin geadopteerd en wil niet meer weg. Zijn opvoeding gaat wel door. Zijn surrogaat vogelmoeder wijst hem waar lekkere pissebedden en oorwurmen zitten in de tuin. Geeft hem vlieglessen en vangt hem op onder haar alternatieve moedervleugels. Intussen bemoeit “Ut Jong”zich met van alles. Naar spinnetjes op de houten tuinbank wordt gepikt. Mijn jas wordt onderzocht op eetbaarheid en hij gaat er ook nog met een sigaret vandoor. Wat er dus totaal niet uitziet, het doet me denken aan de raven scene uit Dombo. Zijn vogelmoeder krijgt daarna een alternatieve crèmespoeling aangeboden die achteraf toch niet zo heel erg bevalt en maar gauw uitgespoeld wordt in de zinken teil. De net gearriveerde familie merel kijkt op afstand geïnteresseerd toe. Je hoort ze bijna denken “gekkenhuis”.


De hele buurt is inmiddels op de hoogte van “Ut Jong”. Die schijnbaar ook ongevraagde bezoekjes aflegt rond 10 uur in de avond. Tja, het is me toch ook wat als je moeder zegt dat je buiten hoort te slapen. Kom zeg een beetje rechtgeaard jong pikt dat niet. Dan maar op bezoek bij tante buurvrouw. Niet dat die daar nu op zat te wachten. Zo’n grote vogelliefhebster was ze nu ook weer niet. Onderwijl dat ze de hippie, hippie shake aan het doen was met “Ut Jong” op haar rug en dan weer schouders werd haar zoon uitgezonden om vogelmamma te halen. Het zelfgemaakte luxe nachthok met twee verdiepingen bracht uitkomst en na een stevige toespraak daalde de nachtrust nu over de buurt.


Maar vandaag………was ik dus alleen met “Ut Jong”. Vanaf zijn uitkijkpost boven op het kamerscherm hield hij de boel goed in de gaten. Baby lag uitgeteld op de bank met haar hoofd op twee kussen te chillen. Esa had zich onder aan de trap verstopt vanwege mijn gestofzuig. “Kom”dacht “Ut Jong” actie!! Het eerste slachtoffer was een pakje papieren zakdoekjes. Hiermee zeulde hij op en neer over het dressoir. Zijn parmantige tred was grappig om te zien, het kopje schuin, zijn snavel gebruikend voor verder onderzoek. Maar ik pakte zijn speeltje af en zette hem weer op zijn uitkijkpost. Met een mooie duikvlucht scheerde hij over mij heen, weer op de papierenzakdoekjes af en sleepte ze heen en weer. Met zijn snavel probeerde hij het pakje open te maken. Aangezien ik er heilig van overtuigd was dat hij geen zware verkoudheid had pakte ik de zakdoekje weer af en plaatste hem weer op het kamerscherm. Na de derde aanval op het pakje verstopte ik het maar. Je zag hem denken “wat nu?” Dan maar de muis van de computer aanvallen. Je weet maar nooit het beest kan wel is echt zijn. Baby lag nog steeds voor pampus op de bank en het zoiets van “je doet maar”. Intussen probeerde ik “Ut Jong” te pakken die aan een cursus sneltypen begonnen was. Eenmaal op mijn arm dacht hij leuk shirtje en begon aan mijn mouwtjes te trekken. Met zijn snavel in mijn mouwtje werd ook nog mijn oksel onderzocht. Zo nu een gemakkelijk plekje zoeken, hij installeerde zich op mijn arm en viel prompt in slaap. Dit was nou niet direct de bedoeling, zie maar is een stofzuiger te hanteren met een slapend jong op je arm. Hier bracht Baby’s bank uitkomst en ik parkeerde het uitgetelde jong op de rand. Met één oog gericht op “Ut Jong”en het andere op kat Esa vervolgde ik mijn weg door het huis.


Met enig opluchting droeg ik de verantwoordelijkheid voor “Ut Jong” weer over aan zijn geadopteerde vogelmoeder. Hond, kat en losse vogel in huis vergt toch wel enig organisatie talent. Hond let op kat, kat let op vogel en vogel let op iedereen en alles. Zo leeft alles vreedzaam tezamen. Voor de avonden adviseer ik alleen om hem de kreet van meneer de uil bij te brengen. Oogjes dicht en snaveltjes toe. Dan komt dat ook wel goed.



© Vera Simon
Met een paar afvalzakken in haar handen liep ze snel de oude houten trap naar de zolder op. Het werd weer eens tijd om de boel uit te mesten. Hoe lang had ze dat al niet gedaan, vroeg ze zichzelf af. “Zeker een jaartje of tien” ging het door haar heen. De deur kraakte een beetje toen ze hem open deed. “Even aan Jan vragen of hij hem wil smeren één van deze dagen”dacht ze. Een paar verdwaalde zonnestralen speelde met het stof, dat een warrelig ballet uitvoerde. “Jeetje, wat staat er veel”ze schrok ervan. Ze opende één van de zakken en begon daar wat oude rommel in te stoppen. Een paar oude lampen die Jan ooit wel weer zou maken, maar die inmiddels al weer vijftien jaar op zolder bivakkeerde. “Weg er mee”en ze knikte tevreden. Stukje bij beetje kwam er wat meer ruimte op zolder. Beneden aan de trap stonden inmiddels vier volle zakken met oude rommel.


Ze liep naar de oude linnenkast die aan haar oma had toebehoord. Ze deed de kast open en nog steeds kwam haar een geur van lavendel tegemoet. Haar oma had vroeger altijd zakjes lavendel tussen het linnengoed gelegd. Door alle jaren heen was de geur in het hout getrokken. Altijd als ze deze kast open deed moest ze aan haar oma denken. De kast was volgestouwd met allemaal incomplete spelletjes en puzzels. Dit zou ze later wel eens uitzoeken dacht ze en sloot de kast weer. Een doos met oude lappen moest ook aan de opruim woede geloven en verdween in een nog lege afvalzak.


Achterin de zolder zag ze haar oude kist staan. Haar vader had hem nog gemaakt toen ze een jaar of tien was. Hij was er dagen mee bezig geweest. De schilderingen op de deksel waren wat vervaagt en hier en daar waren er stukjes hout afgesprongen door het jarenlange gebruik. Op het deksel had haar vader in een medaillon een slingerende landweg in een zomerlandschap geschilderd. Ondanks dat de kleuren niet meer zo helder waren als vroeger deed het tafereel warm aan. Op de zijkanten had hij in pasteltinten verschillende bloemen afgebeeld. Ze ging op haar knieën voor de kist zitten en deed voorzichtig het deksel omhoog. Boven op tussen een stapel vloeipapier lag haar bruidsjurk. Ze glimlachte en de rimpeltjes rond haar ogen verdiepten zich een beetje. “Wat was ze jong geweest toen”dacht ze en vol dromen. Haar handen streelde het zachte ivoorkleurige satijn. Voorzichtig pakte ze haar bruidsjurk op en hield hem voor zich. Ze bekeek zichzelf in de spiegel van de oude linnenkast. Een glimlach om haar lippen lieten de fijne lijntjes om haar mond beter uitkomen. Haar haren waren toen lang en blond geweest, haar blauwe ogen hadden gestraald die dag. Haar huid was zo zacht als een perzik. Jan had nog gezegd dat ze net een fruitmandje was. Wangen zo zacht als een perzik en een mond zo rood en zoet als een kers. “Nu ben ik een gerimpeld appeltje” ze giechelde en mijn haar gaat richting staaldraad. Al zou Jan het niet met haar eens zijn hij aanbad haar nog steeds.


Voorzichtig legde ze de jurk op de oude canapé. Haar oude dagboeken kwamen te voorschijn en ze ging op haar gemak naast de kist zitten en bladerde ze door. Af en toe klonk een schaterlach over de zolder die klonk als een heldere zilveren bel. “Zoveel zotheid” dacht ze toen ze haar dagboeken op een stapeltje legde. Oude rapporten en een paar getuigschriften van haar oude werkgevers volgde. Haar handen gingen terug de kist in en ze voelde iets zachts en warms. Bijna plechtig haalde ze twee bolletjes witte wol uit de kist. Haar gezicht werd uitdrukkingsloos maar zei alles wat er te zeggen viel toen ze naar de bolletjes keek. Zoveel mooie dromen omhulde deze twee witte bolletjes wol. Ze kon zich de dag nog herinneren toen ze die bolletjes kocht. Een warme zomerdag, vogels zongen, de lucht was stralend blauw met hier en daar een pluk witte wolken. Net zo wit als haar bolletjes wol en net zo pluizig. Ze kon Jan zijn uitdrukking nog voor zich halen toen zij die bolletjes in zijn handen lag. Zijn stralende lach, zijn hand die teder over haar buik ging. Anderhalve maand later borg ze de bolletjes met tranen in haar ogen op. Ze had haar droom tien weken mogen koesteren. Een aantal jaar later verhuisde de bolletjes naar zolder. Opgeborgen in de linnenkast van oma. Ze borg haar dromen met een bittere trek om haar mond op. Jaren later toen ze de zolder op ging ruimen had ze met deze zachte pluizenbolletjes in haar handen gestaan, maar kon er niet toe komen ze weg te doen. Wanneer is het tijd om je droom op te geven? Nu stond ze weer met haar droom in haar handen. Ergens ver weg kon ze de geur van oma’s lavendel ruiken. Na jaren in de kast waren haar bolletjes ook hier niet aan ontkomen.


Ze streelde voorzichtig met één van de bolletjes tegen haar wang. “Net een perzik zo zacht” dacht ze. “ik had er rode kersjes op moeten borduren”. Ze glimlachte, de bittere trek om haar mond verzachte zich. Even koesterde ze haar droom om er dan met een wuiven van haar hand afscheid van te nemen. Een zonnestraal streelde haar hand met het bolletje. Met de twee bolletjes witte wol in haar handen liep ze de trappen af helemaal naar beneden. Via de achterdeur liep ze de tuin in en klopte op de achterdeur van haar buurvrouwtje. “Hoi Ans” zei ze toen haar buurvrouwtje de deur open deed. “Jij had toch om wol gevraagd, voor de poppen die je maakt?” Ans knikte. Resoluut legde ze de twee witte bolletjes wol in Ans haar handen en draaide zich om. De zon scheen, de lucht was hemelsblauw met hier en daar een dot witte wolken. Ze schudde haar nu met grijs doorweven haren naar achter en liep glimlachend haar huis weer in.



© Vera Simon
Soms lees ik wel eens van die blogjes die over ouders gaan en dingen die onlosmakend aan hun verbonden zijn. Of ik zie kinderen met de trouwringen van hun ouders verstrengeld aan een kettinkje om hun nek lopen. Dat zette mij aan het denken. Wat is nu onlosmakend met mijn ouders en broers verbonden. Het erfstuk wat mij aan mijn moeder herinnert heb ik al onder veel hilariteit besproken. Op een druilerige dag stond ik bij haar in de keuken en ze was in de weer met HET broodmes. Niet zomaar een broodmes dus, maar HET broodmes. Het stamt ergens uit 1960 toen mijn ouders gingen trouwen. Een eenvoudig rond houten heft, inmiddels donker geworden en wat versleten door het vele gebruik. Het blad is van een donker soort staal en nog steeds heel goed te slijpen. Dit broodmes straalt een soort van onverwoestbaarheid uit dat je nu niet meer tegenkomt en laat mij denken aan de ontelbare keren dat mijn moeder dit mes ter hand nam om ons brood te smeren. Mijn moeder keek me met een geamuseerde blik aan (ze heeft gevoel voor humor) toen ik zei dat ik het van haar wilde erven. Iets anders hoef ik niet. Ze hoopte alleen dat het mes nog in leven was als zij er niet meer zou zijn. Eerlijk gezegd verwacht ik dat dit broodmes zelfs mij overleeft en anders ga ik wel voor de breinaalden. Ze heeft inmiddels de halve wereld aan elkaar gebreid.

Mijn vader is weer een ander verhaal. Hij doorkruist het Z-flat waar hij woont opzoek naar allerlei vreemde objecten en gebruiksvoorwerpen die een ander niet meer ziet zitten. Mijn exploderende stofzuiger en het rokende broodrooster bij mijn ouders thuis zijn er een goed voorbeeld van. Mijn vader is een veredeld soort Malle Pietje. Maar nu heeft mijn vader DE bandenwipper in de boom gehangen. Hij houdt er mee op zegt hij. Mijn vader die van een kaal frame weer de meest prachtige fietsen kluste. Het laatste exemplaar van zijn noeste arbeid staat bij mij in de kelder op mijn zoon te wachten. Zolang ik mij kan herinneren was mijn vader in de weer met bandenplakken en fietsen verbouwen. Van terugtrap rem naar handrem of trommelrem. Hij deelde me menig duister geheim mee van het fietsen verbouwen, maar eerlijk gezegd viel dat in onvruchtbare bodem. Ik snap nog steeds niets van het edele vak van fietsenmaker. Ik denk dat ik maar een bandenwipper van hem jat en inlijst als eerbetoon aan zijn noeste arbeid.

Als ik aan mijn oudste broer denk kom ik uit bij een ontbijtbordje. Ontelbare uren vol lees plezier heb ik beleefd dank zij dit bordje. Mijn broer als buschauffeur. Zittend voorop zijn bed en ik languit liggend als passagier met mijn boek. Ik hoefde alleen maar te zeggen waar ik heen wilde en de bus zette zich in beweging en we reisden van Schiedam naar Amsterdam en weer terug. Het zachte gebrom wat mijn broer uitbracht als busmotor werkte enigszins hypnotiserend. Ik keek alleen verstoord op als hij gillend remde, maar ja als passagier met ligbank heb je eigenlijk niets te klagen.

Dan het kleine broertje wat mijn inmiddels ver boven mijn hoofd gegroeid is. Een doos eieren doet mij altijd wel aan hem denken. Na een educatief programma op tv waggelde hij naar de keuken op zijn dikke peuterbeentjes en ineens vloog er uit het niets een paar eieren om mijn oren. Die achter mij op de muur uit elkaar spatten. Als bijna veertienjarige zie je daar de humor wel van in. We zijn gierend van de lach hard achter hem aangerend om ons en de muur een tweede ronde te besparen. Eerlijk gezegd heeft hij me regelmatig ongestraft kunnen bekogelen. Alleen zijn ijzeren speelgoedautootjes nam ik hem niet in dank af.

Mijn herinneringen zijn warm. De voorwerpen die ze omhoog laten komen misschien een beetje vreemd en dat broodmes, dat mag nog heel lang in de keukenla bij mijn moeder blijven liggen.



© Vera Simon
Ik pakte het zwarte beeldje van de man op en drukte het met mijn ene arm tegen mijn borst, terwijl mijn hand de sokkel steunde. Het granieten beeldje van Isis schoof ik over het bureau naar me toe en ik zakte wat door mijn knieën om het tegen mijn borst aan te drukken. Ik probeerde mijn hand onder de sokkel te wurmen. Het viel me op dat de beeldjes even groot waren en bijna even zwaar. Ik kwam omhoog met de beeldjes in mijn armen en ik liep voor Damiën uit richting de trap. Ik moest tree voor tree de trap af lopen, want door de beeldjes in mijn armen kon ik niet goed zien waar ik mijn voeten neerzette. Beneden aan de trap stond ik even stil. Ik voelde direct de loop van Damiën zijn pistool in mijn rug prikken. “Doorlopen!” zei hij en pookte nog even met de loop om zijn woorden kracht bij te zetten. Ik liep zo langzaam mogelijk de gang door en had het gevoel of ik de weg van een terdoodveroordeelde af legde. Ik kon me nu heel goed inleven hoe hun zich moesten voelen op die laatste gang. Ik duwde met mijn elleboog de klink van de deur naar de entreezaal naar beneden en duwde hem met mijn lichaam open. De zaal rook naar geroosterd vlees. Alleen het idee van welk vlees hier geroosterd was maakte me lichtelijk misselijk. Kokhalzend zag ik achter de tempel een geblakerde hoop, wat eens Ruud geweest moest zijn, liggen. Ik hoorde Damiën achter mij zwaar ademhalen. Hij voelde zich duidelijk niet op zijn gemak. “Loop door en snel,” snauwde hij. Na een paar minuten liepen we de zaal van Egyptische oudheden binnen. De scherven van de deur van de vitrine kast lagen verspreid over de vloer. “Zet die beelden maar op de grond,” zei hij. Ik draaide me om en had weinig zin om zijn bevel op te volgen. Hij kwam met grote stappen op me aflopen en pakte het beeld van Isis uit mijn arm en duwde de loop van de revolver onder mijn kin in mijn hals. “Zak langzaam naar beneden en zet het beeld op de grond,” zei hij zachtjes. Langzaam zakte ik door mijn knieën en zette het beeldje op de grond. “Pak het andere beeld en zet het ook op de grond en doe het rustig zei hij.” Nadat ik de beeldjes op de grond gezet had zei hij me op te staan.

Hij pakte mijn hand beet en trok me richting de vitrinekast. Ik probeerde mijn hand los te wringen maar het leek alsof mijn hand in een bankschroef zat. Hij plaatste mijn vingers op het slot van de vitrine kast.” Beetje vreemd hè,” zei hij,” als de politie vingerafdrukken gaat nemen en die van jou zijn hier niet te vinden.” “ Gut, wat intelligent zeg,” sneerde ik. “Waarom duw je niet gelijk mijn hand door het glas?” “ Goed idee van je,” en hij lachte. Voor ik het wist ramde hij mijn hand door een gedeelte van het glas wat nog heel was. Ik gilde het uit van pijn.” Jij godvergeten klootzak! Hier zal je spijt van krijgen,” gilde ik en draaide me half om en beet hem in zijn pols zo hard ik kon. Hij schreeuwde en moest me wel los laten. Hij haalde uit met de hand waarin hij zijn revolver vasthield en raakte me tegen mijn hoofd. Ik viel tegen de vitrinekast aan die met een klap omviel. Ik kwam midden tussen de glasscherven en historische voorwerpen terecht. Glas sneed door mijn dunne broek heen en ik kreunde. Shit, wat een klote zooi was dit. Ik voelde wat warms langs mijn wang lopen. Toen ik het probeerde weg te vegen was mijn hand rood van het bloed. Damiën had me zo hard geraakt dat ik een wond op mijn hoofd had. “Stomme trut,” zei hij hees. Ik zag hem aanstalten maken om naar me toe te lopen. Ik lag nog steeds op de grond en was zo duizelig dat opstaan op dit moment geen optie was. De temperatuur in de zaal leek langzaam op te lopen. In mijn hoofd gingen duizend alarmbellen over en ik wilde hier weg. Na wat ik in de tempel gezien had wilde ik hier niet zijn.

In een werveling van warmte stond hij daar. In zijn witte linnen kleding, met een spottend lachje om zijn lippen. Damiën aarzelde even maar schoot toen een paar keer op het wezen. Zonder dat het ook maar enig resultaat scheen te hebben. “Schijnbaar gaat hij nu ook weer wegkomen,” kon ik niet nalaten te zeggen. Dat had ik beter niet kunnen doen want hij richte zijn revolver nu op mij. Zijn knappe gezicht was vertrokken van woede. “Dit alles is jouw schuld.” De woorden spuugde hij bijna uit.” Als jij en je vriendje er niet geweest waren dan waren de spullen nu al lang en breed het museum uit geweest en geen haan die er naar gekraaid had.” Nog steeds liep de temperatuur in de zaal op en ik zag straaltjes zweet van Damiën zijn voorhoofd af lopen. Ik zag de man naar één van de stenen sarcofagen lopen die open op de grond stond. Damiën die hierdoor afgeleid werd keek naar hem. De man ging in de stenen sarcofaag liggen met zijn armen gekruist over elkaar zoals een farao. Hij grinnikte ineens als een waanzinnige en sprong weer uit de sarcofaag. Damiën keek hem vol ongeloof aan. Zijn hersens leken niet te bevatten wat zijn ogen zagen. Mijn aanwezigheid kon hij nog verklaren maar die van de in het wit geklede man niet. Ondanks dat ik hem de grootste klootzak ter wereld vond had ik toch wel enige bewondering voor Damiën toen hij resoluut naar de man toeliep. Hij hield de revolver op hem gericht en wilde hem bij zijn arm pakken.” Ik weet niet wat jij onder dat shirt aan hebt, maar een kogel door je hoofd houd jij zelfs niet tegen.” Zijn stem trilde van ingehouden woede. Op het moment dat hij de man beet wilde pakken haalde die licht uit met zijn arm en ik zag Damiën naar het ander eind van de zaal vliegen en met een klap op de grond terecht komen. De temperatuur in de zaal begon nu ondragelijk warm te worden. “Ga,” klonk het net als in tempel door mijn hoofd. Ik schudde mijn hoofd.” Dat gaat niet,” zei ik. Mijn hoofd bloedde nog steeds en ik was zo duizelig dat ik geen stap kon verzetten. Ik was moe en al mijn spieren deden pijn. Mijn kleren waren aan alle kanten gescheurd door de glasscherven van de vitrinekast. De intense hitte in de zaal maakte me loom en eigenlijk wilde ik alleen maar slapen. “Slaap dan maar,” hoorde ik hem zeggen. Ik was me er vaag van bewust dat het brandalarm afging en ergens aan het uiteinden van mijn bewustzijn zag ik Damiën krijsend door de zaal lopen terwijl zijn haar in de brand stond. Hij klauwde aan zijn kleding en probeerde de beelden op de grond te pakken. Door de hitte sprongen de ruiten van de andere vitrines en vlogen de windsels van één van de mummies in brand. Ik zakte weg in de koelte van het donker met Damiën zijn gekrijs nog in mijn oren.

Ik werd wakker door het geluid van vreemde stemmen.” Jezus Christus, “wat een zooitje hoorde ik iemand zeggen.” O, mijn god!” Ik hoorde iemand kokhalzen en weglopen. Om mij heen was het donker. Ik bewoog maar kon nergens heen. Ik voelde met mijn handen alleen maar steen om mij heen. Naast mij voelde ik een paar harde voorwerpen die ongemakkelijk in mijn zij prikten. Ik kreeg het behoorlijk benauwd en tastte met mijn handen naar boven. Ik duwde met alle kracht die ik nog in mij had. Wat het ook was waar ik in lag de bovenkant verschoof een stukje. Ik zag een streepje licht naar binnen komen. Door de kier kwam een walm van rook naar binnen en ik begon te hoesten. “Hé, hierheen,” hoorde ik iemand roepen.” Er zit iemand in die kist.” “ Ja, een mummie,” hoorde ik een ander zeggen.” Sinds wanneer heb jij een mummie horen hoesten idioot!” Een paar seconden daarna schoof het deksel van mijn stenen gevangenis opzij en keek ik in het gezicht van een paar brandweer mannen. Één van de mannen riep in zijn radio om een ambulancemedewerker. Voorzichtig hielpen ze me zover overeind zodat ik kon zitten. De harde voorwerpen die zo ongemakkelijk in mijn zij geprikt hadden waren de beelden van Isis en de man. Ik zag dat ik in de stenen sarcofaag zat waar in mijn gevoel even daarvoor de man in gelegen had. De ambulancemedewerker die inmiddels de zaal binnen gekomen was zette een zuurstofmasker over mijn neus en mond en voelde mijn pols. Ik keek de zaal rond en zag een ravage. Alle ruiten van de vitrines waren gesprongen. Onder een wit laken vermoedde ik het lichaam van Damiën. Dezelfde geur van gebakken vlees hing hier net als eerder op de avond in de entreezaal. Van de vreemde man in het wit was niets meer te bekennen. Een agent kwam binnen lopen en ik hoorde hem zeggen dat ze in de opslagruimte nog een lichaam gevonden hadden.

De ambulance medewerker hielp me uit de sarcofaag stappen. Ik wees op de twee beelden en een brandweerman pakte ze op en liep achter ons aan richting de entreezaal. Daar was het ook een chaos van door elkaar krioelende hulpdiensten. Een man in jeans en T-shirt stapte op mij af en identificeerde zichzelf als Tom de Vries een rechercheur bij de plaatselijke politie. Hij vroeg mij of ik in staat was een verklaring af te leggen, ik knikte vermoeid en ging zitten op de traptreden die naar de tempel van Taffeh voerde. Ik vertelde hem dat ik ingesloten was in het museum en dat ik de directeur overlopen had op het moment dat hij een aantal voorwerpen illegaal uit het museum wilde verwijderen. Ik verklaarde dat ik moest dienen als schuldige en door de directeur meegenomen was naar de zaal van Egyptische oudheden. Dat ik daar buiten westen ben geraakt en dat ik verder geen verklaring had voor de chaos die was ontstaan. Het leek me niet wijs om hier een verhaal op te hangen over een man die anderen spontaan kon doen ontbranden. Op dat moment zag ik een oudere man met zilvergrijs haar het museum binnen komen. Ik hoorde hem enige woorden in het Engels met een politieagent wisselen die hem een man aanwees die bij de informatie balie stond. Ik herkende de man als Jacobs de onderdirecteur van het museum. De man die op Jacobs af liep had een olijfkleurige huid. Hij was gekleed in een lichtgrijs zomerpak. Hij stelde zich voor als Ramazan Jarwan en liet een badge zien. Na een kort gesprek en een verwonderde blik van Jacobs zag ik ze mijn kant uit komen lopen. De blik van Jarwan was gericht op de beelden van Isis en de man die naast mij stonden. Hij stak zijn hand uit en stelde zich aan mij voor. Zijn Engels had een Arabisch accent. De beelden waren gestolen in Egypte zei hij. Ze waren er een paar dagen geleden achter gekomen dat Damiën ze gekocht had met geld dat aan het museum behoorde. Hij knikte me vriendelijk toe, pakte de beelden op en wilde zich omdraaien. Ik haalde het zuurstofmasker, wat de hulpvaardige ambulancebroeder weer opgezet had van mijn gezicht af. Ik kon Jarwan niet laten gaan zonder uitleg. “Wie is het,” vroeg ik nog enigszins piepend. Jarwan keek me bevreemd aan. “Dat beeld van die man, wie is hij?” “ Het beeld moet de hoge edelman Senefer voorstellen zei hij.” “ O,” zei ik wat teleurgesteld. Hij glimlachte,” Senefer zo wordt er verteld “zei hij, “zou een hoogmoedige edelman geweest zijn. Trots op zijn rijkdom en schoonheid. En hij geloofde niet in de goden. Hij daagde Isis uit. Hij beloofde haar voor eeuwig te dienen als ze werkelijk zou bestaan. Isis nam wraak op de haar aangedane belediging en sindsdien dient hij haar. Een paar suppoosten in het museum in Cairo beweren dat ze hem regelmatig door het museum zien dwalen. Gekleed in wit linnen. Zo gaat het verhaal,” zei hij met een glimlach en haalde zijn schouders op. Opnieuw draaide hij zich om en begon naar de uitgang van het museum te lopen.

De ambulancebroeder hielp mij voorzichtig omhoog en ik begon ook richting de uitgang te lopen waar het zwart stond van de mensen. Nog eenmaal keek ik achterom naar de tempel. Bij de ingang stond een man in het wit tegen de muur geleund. Hij leek zijn nagels te bestuderen. Hij glimlachte naar me en in mijn hoofd hoorde ik zijn gegrinnik. Hij draaide zich om en verdween in de tempel. Ik heb hem daarna nooit meer gezien, maar soms voel ik een warme fluistering om mij heen. Ik tel nu de dagen af totdat ik naar Egypte kan afreizen.


http://verasimon.hyves.nl/blog/13166657/Museumgeheimen_deel_3/nesJ/



© Vera Simon
9 Jun, 23:32
Met de moed der wanhoop duwde ik de sleutel in het slot. Ik kon wel krijsen van opluchting toen ik de sleutel omdraaide en de deur naar de entreezaal open ging. De voetstappen in de verte klonken steeds dichter bij. Ik stapte snel de zaal in en knalde de deur achter mij dicht en draaide hem gelijk weer op slot. Dit zou hem wel ophouden, dacht ik. Mijn benen trilde en ik moest een paar keer diep ademhalen voor ik nog een stap kon verzetten. De zenuwen gierde door mijn lijf en ik wist dat ik in beweging moest blijven. De luxe om op adem te komen was niet voor me weggelegd. Voor mij zag ik de tempel oplichten in de schemerachtige zaal. Daar achter lag mijn weg naar de vrijheid, althans dat hoopte ik. Ik holde naar de tempel om op ongeveer een meter daarvoor een warme werveling van lucht te voelen. Hij stond weer voor me. En ondanks dat de temperatuur gestegen was door zijn aanwezigheid brak het koude zweet me uit van angst. Hij trok me, in wat mij een adembenemende seconde leek, de tempel in. Ik kwam met een klap tegen de muur terecht. Toen ik enigszins tot mijn positieve kwam, stond hij voor me met zijn handen weerszijden naast mijn hoofd tegen de muur gedrukt. Zijn ogen leken brandende kolen. Zijn hoofd hield hij schuin en hij liet zijn ogen over mijn gezicht gaan. Zijn mond stond een stukje open en zijn tong likte langs zijn lippen. Wat was dit voor een wezen, ging er door mijn heen. En hoe ontkwam ik aan hem? “ Je moet met mij mee. “ De stem leek meer van binnen uit mijn hoofd te komen dan dat het geluid van zijn stem mij bereikte via mijn oren.” En waarom zou ik met jou meegaan? “ beet ik hem toe. “Omdat hij jou niet zal laten gaan,” zei de man. “En jij wel dan?” hoonde ik. Hij lachte en wervelde rond om daarna weer zijn oude positie in te nemen. “Ik moet wel,” zei hij. En de lichtjes in zijn ogen leken duivels op te lichten.” Ik moet naar de toiletten,” smeekte ik hem. “Daar kan ik er uit.” Hij deed zijn ogen dicht en leek in een soort trance te gaan. Hij schudde daarna zijn hoofd en zei: “daar zijn ze al. De weg is gesloten. Je moet de mijne nemen.” “ Heb ik een keuze?” vroeg ik hem. “Je hebt altijd een keuze,” was zijn antwoord. Mijn lichaam stond nog steeds vastgeplakt tegen de muur en het zweet liep in straaltjes van mijn rug af zo heet was het geworden in de tempel. Mijn lange haren plakte in mijn nek. Zelfs de zomeroutfit die ik vandaag aanhad leek aan te voelen als zuiver scheerwol in zijn aanwezigheid. Ik liet mijn hoofd zakken. Mijn hersens leken bijna te smelten en ik moest kiezen tussen verstand en gevoel. Mijn verstand zei me dat deze man niet kon bestaan en als iemand niet bestaat kan je ook niet met hem meegaan. Mijn gevoel zei me dat ik hem moest volgen dat het mijn enige kans was om hier uit te komen. Hoe vreemd ook.

Ik tilde mijn hoofd op en keek het wezen recht in zijn ogen. Diepe brandende poelen leken het. Onaards en beangstigend. Zijn donkere huid leek een goudkleurige gloed te hebben. Van dichtbij zag ik dat zijn zwarte haar licht krulde. Als het langer was, dacht ik, zou hij een volle bos met krullen hebben. Ik moest de aandrang om zijn haar te strelen onderdrukken. Zijn volle lippen glimlachte ineens. Net of hij mijn gedachten kon lezen. Ik merkte dat ik met mijn hand omhoog stond. Hij draaide van me weg en ging aan de andere kant van de tempelgang staan. Het weinige licht wat in de tempel aanwezig was leek zich met hem mee te verplaatsen. “Waar moet ik dan heen?” vroeg ik hem kleintjes. Ik had het gevoel alsof ik hopeloos verdwaald was en nooit meer de weg naar huis zou kunnen vinden. Hij wervelde weer mijn kant uit. “Je moet naar boven,” hoorde ik hem zeggen. “Twee beelden moet je meenemen. Het beeld van Isis en het beeld van de man.” Mijn mond viel open van verbijstering. “Je zult veilig zijn,” zei hij. Op dat moment hoorde ik een deur in de entreezaal met een klap open en weer dicht gaan. “Ze moeten hier zijn,” hoorde ik Damiën zeggen.” Ruud en jij John, kijk in de tempel. Hem kan je neerschieten, haar wil ik levend hebben.” Ik keek in de richting van de tempelingang en zag Damiën naar de balie lopen, hij begon een paar commando’s in te tikken op de computer die daar stond. “Ze moet hier zijn,” riep hij. “ Ik zie ze op geen van de andere beelden.” Het licht, wat flauw door de tempel ingang viel, werd verduisterd door het silhouet van één van de mannen.

De temperatuur in de tempel leek nu op te lopen naar een kookpunt en ik viel bijna flauw van de hitte. “ Ga de tempel uit,” hoorde ik zijn stem als een fluistering door mijn hoofd gaan. Ik strompelde half vallend naar de andere kant van de tempel waar ook een ingang was. “Ze zijn hier!” hoorde ik één van de mannen roepen. De lucht in de tempel trilde van de hitte. Ik had het gevoel dat ik bijna niet kon ademhalen. “Ga,” hoorde ik weer binnen in mijn hoofd. Ik keek richting het wezen. Mijn vertroebelde blik zag linnen lappen om de man heen, zijn gezicht leek uitgedroogd als van een mummie. Van afgrijzen struikelde ik en viel op de grond nog geen meter van de uitgang verwijderd. Ik hoorde dat de eerste schoten gelost werden, maar het wezen stond daar nog steeds. Onaantastbaar, met een waas van hitte om hem heen. “Ga,” hoorde ik hem weer zeggen. “Je bent hier niet veilig.” Ik probeerde op te staan, maar mijn benen weigerden dienst. Op mijn achterwerk kroop ik naar achteren toe, richting de uitgang. Ik zag één van de mannen verder de tempel in lopen met getrokken pistool. De hitte werd steeds intenser en ik voelde mijn huid verbranden. Net of ik te lang in de zon gelegen had. Nog een halve meter en ik zou buiten de tempel zijn.

“John, kom hier heen!” hoorde ik de man in de tempel roepen. “Neem een brandblusser mee er staat hier iets in de fik of zo, het is bloedheet binnen.” Ik hoorde Damiën vloeken. “Blus die zooi wat het ook is,” hoorde ik hem schreeuwen. Centimeter voor centimeter schoof ik naar achter. Mijn ogen vastgenageld aan het tafereel voor mij. Ik zag Ruud met getrokken revolver stap voor stap verder de tempel in lopen. Achter hem zag ik John tevoorschijn komen met een brandblusser in zijn handen. Mijn hand die ik achter me had om de weg af te tasten voelde de deurstijl van de uitgang van de tempel. Met mijn handen glad van het zweet trok ik mijzelf op. Ik wankelde op mijn benen. Mijn adem kwam met gierende stoten en ik had het gevoel alsof mijn longen in brand stonden. Tot mijn afgrijzen zag ik Ruud spontaan ontbranden en gillend mijn kant uit rennen. Mijn ogen zagen dit maar mijn hersens konden het niet bevatten. Binnen in de tempel leek het wel of er een hellevuur was losgebarsten. Het metaal van de brandblusser die John in zijn handen had verwrong van de hitte en ik zag hem verkolen.” GA,!” brulde het nu door mijn hoofd heen. “Ga nu, hier is het niet veilig voor je.” Ik strompelde van de tempel weg en de relatieve koelte van de zaal bracht me enigszins tot mijn positieven. Ik moest nu naar boven om de beelden te halen. Via de personeelsingang naar boven gaan kon ik niet omdat ik de code van de deur niet had. Ik had nog steeds de sleutel bij me van het kantoortje waardoor ik ontsnapt was. Ik had hem in de zak van mijn linnen broek gestopt. Er was alleen één probleem tussen mij en die deur en dat was Damiën. Binnen in de tempel hoorde ik nog het kabaal van patronen die spontaan afgingen door de hitte. Ik drukte me tegen de tempel muur aan en schoof langzaam richting de open ruimte van de entreezaal. Ik zag Damiën onzeker richting de tempel kijken. Hij probeerde boven het kabaal uit te schreeuwen. Wat hij zei kon ik niet verstaan. Op dat moment viel de stilte. Die in mijn gevoel oorverdovend klonk. Ik hoorde Damiën roepen.” John, Ruud, is het nou verdomme gebeurd? Één kogel lijkt me wel genoeg stelletje idioten. John…………, Ruud………..?” klonk het nu weer maar dan vragend. “Wat zijn jullie aan het doen?” Ik zag hem in beweging komen en ik drukte me nog dichter tegen de tempelmuur aan. Ik hoorde hem richting de tempel lopen en weer riep hij John en Ruud. Op het moment dat ik hem de trap voor de tempel op hoorde lopen zette ik het op een rennen, richting het kantoortje. Ik had de sleutel al in de aanslag. Achter me hoorde ik een schreeuw en ik wist dat ik gezien was. “Teef,” gilde hij naar me. “Hier zal je voor boeten!” Ik hoorde dat hij achter mij aankwam en ik begon nog harder te lopen. De sleutel ging in één keer in het slot en ik gooide deur open. Geen tijd om te sluiten, dacht ik en rende door. Ik rende de gang door richting de kantine. Rennend door de kantine gooide ik links en recht stoelen om in de gedachte dat het Damiën misschien zou vertragen. Elke ademhaling deed inmiddels zeer en ik werd misselijk van het rennen maar wist dat ik niet kon stoppen.

Aangekomen aan de andere kant van de kantine rukte ik daar de deur open en rende de gang in richting de trap. Ik struikelde over een paar treden en stootte lelijk mijn scheenbeen. Achter me hoorde ik kabaal vanuit de kantine komen en een hoop gevloek. Dit zette mij aan om op volle snelheid de trap op te rennen de gang in naar Damiëns kantoor. Ik moet wel gek zijn ging het door me heen. Dan zit je in het kantoor en dan? Lekker veilig. Gekookt worden in de tempel leek me op dit moment prettiger dan het idee wat Damiën voor me in petto had als hij me te pakken zou krijgen. Door de snelheid die ik had vloog ik zowat het kantoor in en remde net op tijd af om niet tegen het bureau aan te knallen. Hij had het beeld van de man in de zelfde vitrinekast gezet waar het beeld van Isis stond zag ik. Mijn gemorrel om het deurtje open te krijgen had geen succes en een sleutel was niet te zien. Tijd om daarnaar te zoeken had ik ook niet. Ik nam een presse- papier van het bureau en sloeg het glas in. Op het moment dat ik beide beelden uit de kast gehaald had vloog Damiën het kantoor binnen.” Jij stomme teef,” zei hij woedend. Zijn ijsblauwe ogen keken mij koud aan. “Dacht je nu werkelijk dat je hier mee weg kon komen?” Jij en je vriendje.” Ik geloof dat het hem aardig gelukt is,” zei ik droogjes. Binnen in mij voelde ik de zenuwen door mijn keel gieren. Zweetdruppels parelden op Damiëns voorhoofd. Hij trok zijn colbertjasje en gilet uit en gooide die achteloos op de grond. Met een zakdoek veegde hij zijn voorhoofd af. “Zet die beelden op mijn bureau,” commandeerde hij. Ik bleef staan en probeerde na te denken over hoe ik hier uit kon komen. Damiën pakte een revolver achter uit zijn broeksband. “Zet ze neer,” zei hij toen nog een keer. “En denk niet dat ik niet durf te schieten.” Zijn stem klonk koud. “Het komt me niet uit je hier neer te schieten maar als het moet dan doe ik het net zo goed.” Langzaam liep ik naar het bureau toe en zette de beelden daarop. Ik zou niet uit deze kamer kunnen ontsnappen, niet alleen en al helemaal niet met die beelden in mijn handen. “Hoe wilde je die twee verkoolde lijken verklaren aan de politie?” vroeg ik hem? “Laat dat maar aan mij over,” beet hij me toe. “Dat is iets waar jij je hoofd niet meer over hoeft te breken.” “ En nu dacht je zeker dat ik vrijwillig met je mee loop?” “ Het kost mij minder sleep- en schoonmaak werk als je het doet, maar even goede vrienden hoor,” zei hij sarcastisch. Zijn lippen vertrokken zich in iets wat op een glimlach moest lijken. Met zijn vrije hand begon hij aan zijn stropdas te sjorren en trok hem van zijn nek af. Hij stopte hem in zijn broekzak. “Pak die beelden op en loop voor me uit naar de Egypte zaal,” zei Damiën ineens. Hij wees met zijn revolver op de beelden en toen weer op mij. Weigeren had geen zin tenzij ik gelijk een kogel in mijn hoofd wilde hebben. Ik achtte hem daartoe heel goed in staat en een inschattingsfout kon ik mij nu niet veroorloven.


http://verasimon.hyves.nl/blog/13110465/Museumgeheimen_deel_2/9dC3/


Wordt vervolgd


© Vera Simon